Voeding en slavernij

De relatie tussen de voedselproductie van Europese mogendheden en slavernij was in het verleden zeer innig. Maar wat aten de mensen die gedwongen werden te werken op plantages eigenlijk zelf? En wat was hun eigen rol in hun voedselvoorziening? Hier volgt een kort verhaal over voeding en slavernij, met name over het dieet van de Afrikanen die in de koloniale tijd gedwongen de Atlantische Oceaan overstaken (1200 woorden, ong. 6 minuten; gelieve niet te citeren uit de tekst zonder bronvermelding).


Slavenarbeid

De enorm snelle verspreiding van een aantal populaire voedingsmiddelen was ondenkbaar geweest zonder slavernij. Zo nam de productie van koffie een hoge vlucht na de steeds grootschaligere inzet van gedwongen arbeid. Nederlanders zagen als eerste de potentie van het product, en plantten al koffie op Java in 1696. In de achttiende eeuw verschoof de productie echter bijna volledig naar de Nieuwe Wereld. Rond 1780 kwam al tachtig procent van de koffie in de wereld uit de Amerika’s, met name uit de Franse kolonie Saint-Domingue (Haïti), dat toen zo’n achttien miljoen kilo koffie per jaar exporteerde. Slavenarbeid was op plantages in West-Indië de norm. Over een periode van meerdere eeuwen staken uiteindelijk ongeveer 12,5 miljoen Afrikanen gedwongen de Atlantische oceaan over; zo’n 10,7 miljoen van hen haalde levend de overkant.

De oversteek

Veel Europese slavenschepen vertrokken van Fort Elmina, Ghana, waar proviand en vaten met drinkwater werden ingeslagen. De reis over de Atlantische Oceaan duurde ongeveer twee maanden, maar veel tot slaaf gemaakte mensen verbleven al veel eerder aan boord. Het reisverslag van het schip de Eenigheid (1761-1763) geeft een beeld van het leven aan boord. De gevangenen konden in de benauwde ruimte tussendeks nauwelijks staan of liggen. Deze verblijven werden tijdens de oversteek ongeveer wekelijks schoongemaakt en uitgerookt met jeneverbessen en wierook. De hoofdmaaltijd van de gevangenen bestond meestal uit gort, paardenbonen en water. Men moest heel zuinig zijn met drinkwater. Het water voor het koken van de gort werd daarom gemengd met ‘een vierde pardt zoudt water’. Het beste werd er gegeten vlak voor aankomst: de mannen en vrouwen uit West-Afrika kregen dan meestal veel pap en vlees om in korte tijd aan te sterken, zodat zij er gezonder uitzagen en een betere prijs zouden opleveren.

De prijs van de suiker

Eenmaal aangekomen werd de situatie al snel weer slechter, vooral op suikerrietplantages. Op sommige Britse eilanden was de levensverwachting voor hen die op deze plantages werkten na aankomst slechts zeven jaar. Sommigen, zoals scheepspurser Aaron Thomas, veroordeelden deze omstandigheden. ‘I never more will drink Sugar in my Tea, for it is nothing but Negroe’s blood’, schreef hij aan het einde van de achttiende eeuw. Maar de meeste Europeanen wisten het niet, of wilden het niet weten, en de consumptie van suiker schoot omhoog. De Britten verbruikten in 1773 bijvoorbeeld al twintig keer zoveel suiker als 110 jaar ervoor. Omdat de inzet van slavenarbeid voor de Europese productie van voedingsmiddelen een eeuwenlange, mondiale praktijk was, kan echter niet worden gegeneraliseerd. De arbeids- en leefomstandigheden konden sterk verschillen, zowel door de tijd, als tussen gebieden, en zelfs tussen plantages die op een steenworp van elkaar lagen.

suikerrietplantage_voeding en slavernij
Ingekleurde litho door Petit naar een tekening van Théodore Bray (1818-1887). Voorstelling van het oogsten van suikerriet op een plantage. Uit de collectie van het Tropenmuseum.

Op de plantages

De voeding van de tot slaaf gemaakte mensen op de plantages geeft een indruk van hun leefomstandigheden. Eén of meer van hen – meestal vrouwen – kookten voor de hele gemeenschap. Het dieet op de plantages in de Amerika’s bestond in de eerste plaats uit een bron van koolhydraten: pap van mais, bakbananen of cassave, rijst, of iets vergelijkbaars. Dit werd meestal aangevuld met een klein beetje eiwit. Op Surinaamse plantages kon dit bijvoorbeeld een stukje gezouten vlees of vis zijn. In algemene zin leek dit voedselpatroon enigszins op dat wat gangbaar was in grote delen van West-Afrika, waar men het moest hebben van vullende pappen van granen en knollen. Vaak voorzagen planters nog in een aantal andere voedingsmiddelen. In delen van Noord-Amerika kregen de Afrikanen en hun nazaten soms zoete aardappel, melasse (suikerstroop), karnemelk en verschillende soorten bonen. Wat betreft groenten en fruit kwam echter een belangrijkere aanvulling uit de tuintjes die tot slaaf gemaakten zelf onderhielden. Verder vingen zij vaak wild, en als er water in de buurt was, kon er worden gevist. Archeologisch onderzoek op het Franse Martinique toont aan dat men varkens en kippen hield, dat men (buidel)ratten ving, en dat men viste op krabben en zeevruchten. Vervolgens werden zulke producten soms op de markt verkocht. Dat leverde wat extra inkomsten en op de markt was sociaal contact mogelijk met lotgenoten van andere plantages en vrijgemaakte mensen.

Voedselvoorziening

Verschillende historici menen dat tot slaaf gemaakte mensen geregeld genoeg voedsel, of ‘brandstof’, tot hun beschikking hadden, maar dat hun dieet zeer eenzijdig was. Lokale verschillen zijn echter groot. Van de plantages in de koloniën in de Amerika’s, ook in Suriname, vluchtten mensen regelmatig vanwege honger. Ook stierven zij niet zelden door ondervoeding. Vooral arbeidskrachten die minder ‘productief’ waren, zoals ouderen en kinderen, kregen slecht te eten. Overigens waren door bestuurders wel regels opgesteld die deze voedselvoorziening moesten reguleren. Zo kenden de Franse kolonies van 1685 tot de afschaffing van de slavernij in 1848 de zogenaamde Code Noir, die een wekelijks minimum aan koolhydraten en eiwit voorschreef. Er was echter slecht toezicht op de naleving van deze bepalingen. Het is daarom niet verrassend dat tot slaaf gemaakten gingen stelen, van hun eigen meester of van andere plantages. Er zijn aanwijzingen dat het stelen van de eigen baas een belangrijke symbolische betekenis had: zo kon worden gerebelleerd tegen het slavenbestaan en het gezag van de planter worden ondermijnd. Met succes een varken stelen, bereiden en opeten kon een belangrijke bron van trots zijn.

Een nieuwe keuken

Mais, pompoen en andere gewassen uit de Nieuwe Wereld werden door de Afrikanen gecombineerd met pijlers uit West-Afrikaanse keukens, zoals okra en sesamzaadjes. Op verschillende plekken creëerden zij zo geheel nieuwe keukens. Typisch was daarbij dat alles in één pot langzaam werd gaar gestoofd, zoals nog altijd zichtbaar is in de complexe schotels onder de naam gumbo die nu in de Verenigde Staten en elders worden gegeten. Ook specifiekere gerechten zijn door deze mensen gepopulariseerd: de Benne wafeltjes (naar het Bantu woord voor ‘sesam’) in South Carolina bijvoorbeeld. Of de akara balletjes, gefrituurde beignets gemaakt van bonen, die in Brazilië op straat al snel goed verkochten. Geen wonder dat veel woorden voor voeding en drank in de Amerika’s zijn ter herleiden naar Afrikaanse talen.

gumbo_voeding en slavernij
Een gumbo met kip, ham en worst. Foto geupload door wikipedia-gebruiker Fæ.

In algemene zin mag worden aangenomen dat het voedsel dat slaven met elkaar aten ondanks, of wellicht deels dankzij, de vaak slechte omstandigheden voor hen van grote culturele betekenis was. Ten dele omdat het eten een zeer tastbare connectie kon vertegenwoordigen met het leven dat men had in West-Afrika, en daardoor een manier was om de eigen identiteit uit te dragen. De gezamenlijke maaltijden vormden bovendien de belangrijkste dagelijkse sociale gelegenheid, waarbij het goed denkbaar is dat een gevoel van gemeenschap kon ontstaan in een vaak gewelddadige omgeving.

Deze tekst kwam tot stand in samenwerking met Annemarie de Knecht-van Eekelen, en werd oorspronkelijk geschreven voor het postuum uitgegeven boek van Adel P. den Hartog met de titel Wat is eetbaar : een reis door de wereld van voedseltaboes en eetculturen (2022).

Wil je meer lezen over de relatie tussen voedselproductie en kolonialisme, en over wat tot slaaf gemaakte mensen aten en dronken? Naast geschiedenissen van specifieke koloniale producten als suiker en koffie, bevatten onderstaande bronnen interessante informatie:

  • Herbert C. Covey en Dwight Eisnach, What the Slaves Ate: Recollections of African American Foods and Foodways from the Slave Narratives (Santa Barbara, CA [Etc.]: Greenwood Press, 2009).
  • Linda Newson en Susie Minchin, ‘Diets, Food Supplies and the African Slave Trade in Early Seventeenth-Century Spanish America’, The Americas 63:4 (2007) 517-550. DOI: 10.1353/tam.2007.0080.
  • Alex van Stipriaan, Surinaams contrast: Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie, 1750-1863 (Leiden: Brill, 1993).
  • Diane Wallman, ‘Slave Community Food Ways on a French Colonial Plantation’, in: Ken Kelly en Benoit Bérard (red.), Bitasion: Lesser Antilles Plantation Archaeology (Leiden: Sidestone Press Academic, 2014) 45-68.
  • Lizzie Collingham, The Hungry Empire: How Britain’s Quest for Food Shaped the Modern World (Londen: The Bodley Head, 2017)
  • Rachel Laudan, Cuisine and Empire: Cooking in World History (Berkeley, CA [Etc.]: University of California Press, 2014).
  • Sidney W. Mintz, Tasting Food, Tasting Freedom: Excursions into Eating, Culture, and the Past (Boston, MA, 1996).
  • Richard W. Franke, ‘The Effects of Colonialism and Neocolonialism on the Gastronomic Patterns of the Third World’, in: Marvin Harris en Eric B. Ross (red.), Food and Evolution (Philadelphia: Temple University Press, 1987) 455-479.